Roodstaartjes

Een vrolijk fluiten klinkt door de woonkamer. Verbaasd kijk ik op. In de kamer zijn een konijn en een onbekend aantal guppen. Voor zover ik weet allen niet fluitend. Het fluiten komt van achter een oud ventilatierooster wat in de buitenmuur gemetseld is ten tijde van kolenkachels en zware zeemist, een fraai stukje siersmeedwerk dekt het af aan de binnenkant.

foto rooster in muur

Aan de buitenkant, in de steeg, wordt het afgedekt met een ijzeren traliewerk waar een rond gat uit of in is geroest, ideaal voor een vogeltje. Bij toenadering van de camera is de vogel rap gevlogen maar het nestmateriaal nog duidelijk te zien achter de tralies.

foto rooster buiten

De bewoner is een gekraagde roodstaart die al regelmatig rond het huis te zien was. Een zeldzamer wordend vogeltje wat volgens de geleerden in struiken, loof-en naaldbossen leeft, maar dus ook in oude ventilatiekanalen in muur van dijkhuisjes.

        foto gekraagde roodstaart

Het toeval wil dat ik vijfentwintig jaar geleden, om mijn net-op-mezelf-in-een-vreemde-stad-bestaan wat op te leuken, besloot mijn éénkamerflatje te delen met een roodstaartje uit de dierenwinkel. De winkelbaas propte hem al rokend hardhandig in een heel klein doosje. Thuis gekomen, liet ik hem los, noemde hem Douwe, en verbaasde me over de hardnekkige manier waarmee Douwe kennis bleef maken met de dubbele beglazing in mijn flatje. Het deed mij zelfs pijn en ik maakte me ernstig zorgen over schedelbreuk en dislocatie van wervels. Gelukkig werd het basisprincipe van glas (niet te zien, maar wel constant op dezelfde plek)  na enige tijd duidelijk aan Douwe.

Douwe was blauwgrijs met een rode staart, genaamd blauwgrijs roodstaartje. Ik vond hem een stuk leuker dan al die gele kanaries die ik tot dan toe had gekend als eenzaam-vogeltje-in-een-kooi. Een positieve uitzondering maak ik voor de kanarie van mijn Beppe die het radioreclame-aankondigings-deuntje uit de jaren zeventig kon nafluiten.

Ik had een kooi, maar vond het niet nodig om het deurtje dicht te doen, Douwe ook niet. Douwe at en dronk in de kooi, sliep in de varen, vloog overal, poepte keurig op één plek op de vensterbank en begroette me bij thuiskomst met het hoogste lied, uit blijdschap dacht ik toen nog……..

Omdat ik overdag noodgedwongen afwezig was door werk beschouwde Douwe de flat steeds meer als zijn territorium, en mij dus als indringer. Dat uitte zich na een paar weken in roekeloze duikvluchten uitgevoerd op mijn persoon, waarbij Douwe pas op het allerlaatste moment optrok. Dit fenomeen begon zodra het licht werd (en ik nog in bed lag) en ging door tot de schemering. Blauwgrijze roodstaartjes beschikken godzijdank niet over nachtzicht dus de winteravonden waren duikvluchtvrij mits ik het grote licht niet opstak. In het begin vond ik het heel vermakelijk om de hele dag de duikvluchten af te weren met het broodplankje, het gebakschoteltje, het lunchbordje en de braadpan. Maar na een paar jaren kon het echt niet langer, Douwe werd steeds fanatieker en gehaaider in zijn aanvallen en ik trok het niet meer om steeds op m’n hoede te moeten zijn. Ik moest Douwe gaan opsluiten in zijn kooi.

Bij het op bed of stok gaan van ons beiden ontwikkelde zich nu een vast ritueel. Ik zei: ‘welterusten Douwe’, Douwe zei ‘Tjiep’, ik deed het licht uit, hoorde een wild gefladder eindigend in een plokje, deed het licht weer aan, Douwe fladderde omhoog en ging op stok met verbolgen blik, ik zei nog eens ‘welterusten Douwe’ en deed het licht uit. Stilte.

Douwe heeft al flierefluitend en iedere dag weer opgewekt actief de respectabele leeftijd van 14 jaren gehaald. De laatste keer dat ik ‘welterusten Douwe’ zei en het licht uitdeed hoorde ik niets, Douwe zat al de hele dag al op de bodem van de kooi en had niet meer de fut om te fladderen of te fluiten.

Douwe is in besloten kring begraven op de Dokkumertrekweg nr.16 te Leeuwarden achter in de tuin bij de schutting, aan de rechterzijde als je met je rug richting het huis staat. Ik woonde daar toen Douwe overleed, dat u niet denkt dat ik mijn dode dieren in willekeurige tuinen begraaf.

En nu na 13 jaar weer een roodstaartje, maar dan in het wild, met een heus gezin! De jongen piepen dat het een lieve lust is en de ouden kunnen het vreten niet aanslepen. Dat heeft Douwe, dank zij mij, nooit mogen meemaken.