Hulp

Bij het knippen van de heg voor het huis hoor ik een raar geluid. Het komt uit de richting van de mega-aardappelkoelschuur van onze schuinoverbuurman, praktiserend landbouwer. Vreemd, want er is zo te zien niemand meer aan het werk, de schuifdeur is dicht. Dan valt mijn oog op een kraai die vergeefs klauwend probeert houvast te vinden op de vensterbank van een van de ramen. Dat is dus het vreemde geluid wat ik hoor.
Ik knip weer verder totdat een luid tikken mijn aandacht trekt. De kraai heeft het voor elkaar gekregen om op de vensterbank te blijven zitten, snel geleerd, en tikt nu hard met zijn snavel tegen het raam. Nieuwsgierig geworden staak ik mijn kniphandelingen en recht mijn rug. De kraai tikt er lustig op los, af en toe even krassend en met zijn vleugels fladderend. Dan vliegt hij terug naar de dichtstbijzijnde boom, blijkbaar is het genoeg. Glimlachend buk ik me om weer verder te knippen maar weer klinkt er getik! Verbaasd kijk ik op. De kraai zit in de boom, ver weg van het raam, en toch wordt er nog op het raam getikt!
Zou de kraai zijn geliefde in de schuur opgesloten zitten? De buiten-kraai vliegt vanuit de boom weer naar het raam en tikt en krast nu samen met binnen-kraai. Twee geliefden gescheiden door dubbelglas. Moet ik nu de helpende hand bieden? De boer waarschuwen dat er in zijn schuur een mogelijk drama afspeelt?

Mijn gedachten flitsen terug naar mijn jeugd toen ik samen met een vriendje een zomerlang aalbessen uit de tuin van onze buurman pikte. We vraten ons helemaal te barsten aan die dingen! We hadden zelf ook wel een bessenstruik maar dat was lang niet zo spannend en buurman had er veel meer. Op een van onze rooftochten zagen we een merel die verstrikt was geraakt in netten die over de struiken waren gelegd. Wij waren ontzet! Die merel moest worden gered! Maar we konden er zelf niet zo goed bij en hij spartelde heel heftig. Ten einde raad besloten we het aan buurman te vertellen. Hij zou wel raad weten.
We renden om het huis naar voren en belden aan. Buurman opende de deur, hoorde ons tweestemmig relaas aan en bromde dat hij eraan kwam. Wij renden weer om het huis nu naar achter en wachten keurig achter de roestige platen ijzer die buurmans tuin omheinden. Buurman kwam rustig aangelopen, groot en vierkant, zag de merel, bromde wat, pakte de merel zachtjes in zijn rechterhand en draaide met de linker zijn kop een slag rond, dood.
Wij waren verbijsterd! De buurman bromde iets van ‘rotvogels’ en dat die ‘van zijn bessen moesten afblijven’ en liep terug naar de achterdeur. Wij keken stomverbaasd toe. Toen de deur achter buurman dichtgeslagen was riepen we om de beurt hoe vreselijk wreed buurman wel niet was. Dat dat waarschijnlijk te danken was aan onze bessenvreterij dringt pas nu tot me door, toen hadden we geen benul.

Ik besluit niets te doen en ga verder met knippen.